Dutch
Nederlands
English
International association sites
AFCF
DFF
BSFP
DFZ
FVS
FHANA
ANZFHS
FPSSA
FFO
SFHF
FHAGBI
CFL
CSFHO
FFL
AFHI
NFFN
FLME
PFB
Z.H.K.F.w.P
FFHA
Login
|
Register
Home
Nieuws
Het Friese paard
Het friese paard
Algemene informatie
Historie van paard
Inloggen mijn paard
Bibliotheek
Algemeen
Fokkerij
Evenementen
Veterinair
Sport
Welzijn
Informatie Het KFPS
De vereniging
Algemene Informatie KFPS
Stamboekkantoor
Commissies en raden
Jong KFPS
Adressen gerelateerde organisaties
Adressen Fokverenigingen
Adressen Buitenlandse verenigingen
Tarieven
Veel gestelde vragen
Aanmelden lidmaatschap / Phryso
Machtiging
Phryso
Adverteren en Sponsoring
Royal Friesian Club
Reglementen
Statuten KFPS
Huishoudelijk Reglement
Registratiereglement
Keuringsreglement
Reglement Hengstenkeuring
Reglement beoordeling sporthengsten
Reglement veulenboekhengsten
Voorwaarden Centraal Onderzoek
Reglement nakomelingenonderzoek
Voorwaarden ABFP-test
Reglement IBOP
Verrichtingsproeven
Reglement jonge Friese paarden met dressuuraanleg
Reglement jonge Friese paarden met aanleg voor de tuigpaardensport
KFPS beleidsplan welzijn
Keuringen
Digitaal aanmelden
Aangifte formulieren
Startlijsten & uitslagen
Keuringuitslagen inzien
Uitslagen IBOP
Uitslagen ABFP
Uitslagen JFPMDA & JFPMTA
Centrale keuring
Hengstenkeuring
Sport
Sportpredikaat
Jaarplan sportraad
Jonge Friese paarden met dressuuraanleg
Jonge Friese paarden met tuigaanleg
Post Kogeko KFPS kampioenschap dressuur
KFPS Indoorcompetitie
KFPS Outdoor mencompetitie
Fokkerij
Fokkerij informatie
Fokdoel
Sportdoel
Fokprogramma
Jaarplan fokkerijraad
Inteelt - verwantschapspercentage
Merriestammen
Paardgegevens
KFPS-hengsten
Lijst actieve KFPS-hengsten
Fokwaarden/rapportages hengsten
Hengstenstamboom
Dekveulen informatie
Uitgebreide hengsteninformatie
Contact
Routebeschrijving
Ik wil graag lid worden
Mijn Paard
Actueel
Film Friese paard
Vacatures
Ledenkorting
Enquête
Geboortemelding
Regiovergaderingen
Mijn paard
Inloggen mijn paard
Verrichtingsproeven & uitleg beoordelingscriteria
Rijproef IBOP & Centraal Onderzoek
1.
A – X - C
binnenkomen in arbeidsdraf
C
linkerhand hoefslag volgen
2.
A
grote volte
3.
H – X – F
van hand veranderen en bij X in arbeidsstap overgaan
4.
C
halthouden, daarna voorwaarts in arbeidsstap
5.
Tussen K en E
arbeidsdraf
6.
B
grote volte
7.
K – X – M
van hand veranderen in middendraf
8.
A
afwenden
X
overgang naar de arbeidsstap
C
rechterhand
9.
Tussen M en B
arbeidsdraf
10.
A
slangenvolte met drie bogen
11.
Tussen C en M
arbeidsstap
12.
M – X – K
van hand veranderen, daarbij de hals laten strekken,
daarna teugels op maat maken
13.
Tussen A en F
arbeidsdraf
14.
B
afwenden
E
linkerhand
15.
Tussen A en F
arbeidsgalop links
16.
B
grote volte, daarbij enkele sprongen middengalop
17.
Tussen C en H
arbeidsdraf
18.
F – X – H
van hand veranderen in middendraf, daarna arbeidsdraf
19.
E
afwenden
B
rechterhand
20.
Tussen A en K
arbeidsgalop rechts
21.
E
grote volte, daarbij enkele sprongen middengalop
22.
Tussen C en M
arbeidsdraf
23.
B
grote volte, daarbij de hals laten strekken, daarna teugels op maat
maken.
24.
A
afwenden
X
halthouden, groeten, daarna voorwaarts in vrije stap
C
hoefslag rechts volgen en bij A de rijbaan verlaten.
Menproef IBOP
1.
A-C
Binnenkomen in arbeidsdraf
C
Linkerhand
2.
A
Grote volte
3.
F-X-H
Van hand veranderen daarbij enkele passen middendraf
4.
A
Slangenvolte met 3 bogen
5.
Tussen F en A
Overgang arbeidsstap
K-B
Van hand veranderen
6.
E
Afwenden
Tussen E en B
Halt houden enkele seconden stilstaan
Voorwaarts in arbeidsstap
B
Rechterhand
7.
Tussen F-A-K
Overgang arbeidsdraf
8.
E-B-E
Grote volte tweemaal rond daarbij paard de hals laten strekken
Tussen H en C
Leidsels op maat maken
9.
K-X-M
Van hand veranderen daarbij enkele passen middendraf
10.
K-D-E
Linksomkeert en daarbij
11.
Tussen D en E
Overgang arbeidsstap
12.
F-D-B
Rechtsomkeert en daarbij
13.
Tussen D en B
Overgang arbeidsdraf
14.
Tussen E en K
Overgang arbeidsstap
K-A-F
Paard de hals laten strekken
15.
F-X-G
Wenden en
Tussen F en X
Leidsels op maat maken en
Tussen X en G
Halt houden en groeten
Bij A in draf de rijbaan verlaten.
Basisproef tuigen IBOP
1.
A - C
binnenkomen in arbeidsdraf. C rechterhand
2.
K-E
tussen K en E overgang arbeidsstap
3.
E
afwenden
4.
B
linkerhand
5.
B-M
tussen B en M aandraven
6.
E
grote volte
7.
F-M
draf met meer actie
8.
H
van hand veranderen
9.
K-H
draf met meer actie
10.
B
grote volte
11.
E
grote volte daarbij paard hals laten strekken
tussen E en H leidsels op maat maken
12.
M
van hand veranderen en tussen M en X in stap overgaan
13.
A
afwenden en X halthouden
Showproef tuigen IBOP
1.
Binnenkomen in draf op de rechterhand.
2.
Op een lange zijde afwenden en halt houden op de lijn A-C, waarna de inspectie volgt
3.
Afrijden in draf op de rechterhand.
4. Tweemaal rond, via een diagonaal van hand veranderen en daarna tweemaal rond op de
linkerhand
5.
Op een lange zijde afwenden en opstellen op de lijn A-C.
Bij A in draf de rijbaan verlaten
BEOORDELINGSBALKEN
RIJPROEF IBOP /ABFP /CO
stap
draf
galop
lichaamshouding & balans
souplesse
schakelen
impuls
totaal
2x
2x
2x
2x
1x
1x
1x
MENPROEF IBOP / ABFP / CO
stap
draf
lichaamshouding & balans
souplesse
schakelen
impuls
totaal
2x
2x
2x
2x
1x
2x
TUIGPROEF IBOP / CO
stap
draf
draf
draf
lichaamshouding & balans
front
souplesse
impuls
totaal
voorbeen-
gebruik
achterbeen-
gebruik
zweef-
moment
1x
2x
2x
1x
2x
1x
1x
1x
De paarden in de ABFP test krijgen een apart cijfer voor de aanleg als tuigpaard.
UITLEG BEOORDELINGSCRITERIA
Stap:
De stap is een marcherende gang met een viertakt (vier tempi). De vier benen worden afwisselend en afzonderlijk opgetild en weer neergezet; voorbeeld beginnend bij het linkerachterbeen: linksachter, linksvoor, rechtsachter, rechtsvoor, linksachter, enz. Het achterbeen verdrijft het voorbeen wanneer het wordt neergezet. De stapbeweging moet door het gehele lichaam van het paard vloeien. De benen aan dezelfde laterale zijden vormen voor een kort moment duidelijk herkenbaar een V-vorm.
In de IBOP proeven wordt uitsluitend de arbeidsstap gevraagd. Het paard in arbeidsstap beweegt zich monter en ongedwongen voort. Het vertoont een actief en rustig beeld. De stap is regelmatig en vastberaden. De rijder leidt het paard in een constante lichte aanleuning.
Kenmerken: tactzuiverheid, souplesse, ruimte, activiteit, ontspanning, buigzaamheid.
Draf (rij-en menproeven):
De draf is een gang met een tweetakt (twee tempi). Het paard beweegt zich voorwaarts door het opeenvolgend gelijktijdig optillen en neerzetten van een diagonaal benenpaar (linksvoor met rechtsachter en rechtsvoor met linksachter), afgewisseld met een zweefmoment; voorbeeld: linksvoor met rechtsachter, zweefmoment, rechtsvoor met linksachter, zweefmoment, linksvoor met rechtsachter, enz.. De draf is altijd vrij, actief en regelmatig in de beenzetting. In de IBOP rij-en menproef worden de arbeidsdraf en de middendraf gevraagd. De draf in de IBOP tuigproef wordt hierna apart beschreven.
De arbeidsdraf is een gang tussen de verzamelde en de middendraf. Het paard dient zich in goed evenwicht te tonen. Het paard is in de hand gesteld en beweegt zich voorwaarts met gelijke en elastische passen, waarbij de achterhand heel actief blijft. Met een actieve achterhand wordt niet bedoeld dat het paard naar of in verzameling wordt gereden, maar dat met voldoende impuls gereden wordt, zodat de achterhand tot stuwen en dragen komt.
De middendraf is een gang tussen de arbeidsdraf en de uitgestrekte draf in. Het paard beweegt zich vrij voorwaarts en verlengt zijn passen zichtbaar, met een gelijkmatige verruiming en een daarbij passende verlenging in de bovenlijn. Deze verruiming komt voort uit een duidelijk impuls met stuwende kracht vanuit de achterhand. De rijder staat het paard toe de hals te verlengen en het hoofd wat meer voor de loodlijn te houden dan in de arbeidsdraf. De passen blijven regelmatig en de beweging is in evenwicht en ontspannen. Het paard dekt met zijn verruimde passen meer bodem, maar de snelheid waarmee het zijn passen zet neemt niet toe.
Kenmerken: tactzuiverheid, souplesse, gedragenheid, buigzaamheid, balans, houding, afdruk, zweefmoment, ruimte, activiteit, ontspanning, gebruik voorbeen.
Galop (rijproef):
De galop is een gang met een drietact (drie tempi), met in bijvoorbeeld de linkergalop de volgende beenzetting: rechtsachter, diagonaal rechtsvoor met linksachter, linksvoor, zweefmoment, rechtsachter, enz.. De galop is altijd regelmatig met gecadanceerde sprongen en wordt met lichtheid uitgevoerd en wordt vanaf het aangalopperen (aanspringen van de galop) resoluut begonnen. In de IBOP rijproef worden uitsluitend de arbeidsgalop en de middengalop (enkele sprongen) gevraagd.
De arbeidsgalop is een gang tussen de verzamelde en de middengalop in. In deze galopgang dient het paard zich in goed evenwicht te tonen. Terwijl het in de hand gesteld blijft, beweegt het paard zich met gelijke, lichte en gecadanceerde sprongen voorwaarts. De achterhand is actief en komt tot stuwen en dragen door voldoende impuls.
De middengalop is een gang tussen de arbeidsgalop en de uitgestrekte galop in. Het paard beweegt zich vrij voorwaarts en verlengt zijn sprongen zichtbaar, met een middenmatige verruiming en daarbij passende verlenging in de bovenlijn. Deze verruiming komt tot stand vanuit een duidelijke impuls vanuit de achterhand. De galop blijft een zuivere drietact. De rijder staat het in de hand gesteld paard toe de hals iets te verlengen, waarbij het paard het hoofd wat meer voor de loodlijn mag houden dan in de arbeidsgalop.
Kenmerken: tactzuiverheid, souplesse, balans, afdruk, houding, buigzaamheid.
Lichaamshouding en balans:
Oprichting in lichaamshouding beoordeeld tijdens de draf, waarbij het paard daalt in de achterhand (gaat zitten) en opricht in de voorhand (rijzen). Het paard laat zich los in de bovenlijn en behoudt zijn rechtgerichtheid. Het totaal beeld is duidelijk bergopwaarts.
Kenmerken: schoft hoger dan de croupe door zakken in de achterhand en rijzen in de voorhand, losheid in de bovenlijn.
Bij balans gaat het om de juiste evenwichtssituatie waarin het paard zich in alle gangen beweegt. Het paard dient ritmisch, ontspannen en tactmatig te bewegen, ook in de verruimingen. Tijdens het halthouden verplaatst het in balans zijnde paard in de overgang meer gewicht op de achterhand en staat ontspannen, in aanleuning en rechtgericht stil. Bij het halsstrekken wordt het tempo, de tact, regelmaat en ruggebruik onderhouden, waardoor het paard ontspannen en in evenwicht/balans de hals kan strekken met behoudt van een lichte aanleuning en impuls.
Souplesse
Souplesse van een paard is de mogelijkheid om het lichaam te draaien, te strekken en te buigen
zonder dat enige stijfheid of blokkade optreedt in de wervelkolom of de gewrichten. Souplesse wordt
door een groot deel mogelijk gemaakt door soepelheid en flexibiliteit van spieren. Souplesse stelt een
paard in staat de wervelkolom aan te spannen, te verlengen als zijdelings te buigen, zonder
ongewenste spanning of weerstand en met volledig behoud van het bewegingsritme.
Het paard beweegt zich,met behoud van tact en balans in een correcte lengtebuiging op de lijn van de figuren en wendingen. Bij lengtebuiging is het paard door het hele lichaam gebogen. Het paard moet zich bereid tonen zich van links naar rechts om te laten stellen.
Plaats van buiging in lichaam is slechts in hals en lendengedeelte. In rib en croupe gedeelte is paard niet buigzaam.
Het rijden in stelling betekent, dat door het geven van de juiste hulpen van de rijder het paardenhoofd iets naar links of naar rechts is gebogen. Bij het rijden in stelling blijven de hals en de romp van het paard rechtgericht. De rijder ziet één oog en de rand van één neusgat van het paard.
Schakelen
Overgangen en tempowisselingen zijn de basis van de rijkunst. In de overgang blijft het paard ontspannen, behoudt het zijn tact van de gang tot het moment van de overgang, is de aanleuning in orde en blijft het paard recht. Overgangen en tempowisselingen moeten duidelijk waarneembaar zijn. Bij de overgang van een arbeidgang naar een middengang dient de hals van het paard langer te worden en de neus wat naar voren, zodat het mogelijk wordt om de paslengte groter te maken. Hierdoor kan het paard zijn ontspanning en tact bewaren en in draf met zijn passen en in galop met zijn sprongen duidelijk meer verruimen. Het verschil tussen een arbeidsgang en een middengang en terug dient duidelijk waarneembaar te zijn.
Impuls:
In de tuigpaardensport wordt dit onderdeel benoemd als looplust.
De natuurlijke drang naar voren van een paard, echter altijd beheerst en begrenst door de rijder. De rijder heeft controle over de voorwaartse drang en bepaalt in welke mate deze drang leidt tot het voorwaarts gaan van het paard (tempo). De vanuit de achterhand opgewekte energie wordt door de rijder gecontroleerd en is de basis voor nageeflijkheid en aanleuning.
Kenmerken: voorwaartse energie komt vanuit de achterhand en laat zich door de rijder omzetten in voorwaartse en opwaartse richting, geslotenheid.
Draf (tuigproef):
De draf is een gang met een tweetakt (twee tempi). Het paard beweegt zich voorwaarts door het opeenvolgend gelijktijdig optillen en neerzetten van een diagonaal benenpaar (linksvoor met rechtsachter en rechtsvoor met linksachter), afgewisseld met een zweefmoment; voorbeeld: linksvoor met rechtsachter, zweefmoment, rechtsvoor met linksachter, zweefmoment, linksvoor met rechtsachter, enz.. De draf is altijd vrij, actief en regelmatig in de beenzetting. In de IBOP rij-en menproef worden de arbeidsdraf en de middendraf gevraagd.
In de IBOP tuigproef kenmerkt de draf zich ten opzichte van de draf in de rij-en menproef door veel zweefmoment, een ruim wegzettend voorbeen, hoge actie van voorbeen en achterbeen en een krachtig ondertredend achterbeen. Het krachtig ondertredende achterbeen maakt de voorhand van het paard lichter, waardoor het gaat rijzen in de voorhand. De draf gaat gepaard met een fiere lichaamshouding van het paard.
Kenmerken: t.o.v. de rij-en menproeven meer en hogere voor-en achterbeen actie, lang zweefmoment, duidelijk bergopwaarts.
Achterbeengebruik tuigpaard:
Dit is de mate waarin het paard het pijpbeen in de richting van de horizontaal brengt en de mate waarin het paard zich afdrukt van de grond en naar voren plaatst. Het achterbeen neemt tussen afzet en neerzetten veel bodem en de achterhoef wordt ruim voorbij de afdruk van de voorhoef geplaatst. Het spronggewricht wordt sterk gebogen evenals de kogel. De achterhand wordt ver onder de massa geplaatst.
Kenmerken: afdruk, buiging spronggewricht en kogel, gedragenheid, krachtig.
Voorbeengebruik tuigpaard:
Dit is de mate waarin het paard door sterke buiging in de knie de onderarm van het voorbeen tenminste op de horizontaal brengt en de mate waarin het paard zijn voorbeen naar voren wegzet.
Kenmerken: onderarm minimaal op de horizontaal, afrollen van de beweging dus niet het voorbeen laten vallen maar naar voren grijpen.
Zweefmoment tuigpaard:
De tijdsduur van het moment dat het paard wisselt tussen de twee diagonale beenparen en het paard geen contact maakt met de bodem. Het zweefmoment is de ruimte in de beweging niet door snelheid van het wegzetten van het achterbeen veroorzaakt, maar juist door vertraging en veerkracht.
Kenmerken: ruim wegzettend achterbeen, ruim loskomen en veel bodem nemen.
Front tuigpaard:
In de draf gebruikt het paard zijn hoofd en hals om tot een fiere oprichting te komen. Daarbij is de hals haast vertikaal vanuit de romp geplaatst, echter met een grote mate van afbuiging in de nek waardoor het hoofd met het neusbeen op de loodlijn gedragen wordt.
Kenmerken: halsvorm, hals-/neklengte, hoofd-/halsaanzet, plaats van het hoofd.
versie januari 2012
ONZE SPONSORS