KFPS Royal Friesian

Het Friese paard, een aloud gebruikspaard

 

Het Friese paard is zeer populair en wordt gebruikt in diverse takken van sport. Zowel als rijpaard als men- en tuigpaard kan het Friese paard goede prestaties leveren. Dat de Fries al vele eeuwen de mens ten dienste staat, is bekend uit oude geschriften. In het begin van de jaartelling wordt het Friese paard gebruikt in de krijgsdienst1 en worden Friese troepen beschreven in Britannia. In de 4e eeuw beschrijft de Engelse schrijver Anthony Dent1 de aanwezigheid van Friese troepen bij Carllisle. Zij hadden hun eigen paarden. Vermoedelijk gaat het in beide gevallen om Friese huurlingen met Friese hengsten. Anthony Dent, en andere schrijvers, geven aan dat het Friese paard de voorvader vormt van zowel het Engelse Shire-ras als van de Fell pony.

 

 Willem de Veroveraar1 gebruikte in de 11e eeuw paarden die grote overeenkomsten hadden met het Friese ras. Uit deze tijd zijn meerdere afbeeldingen bekend van ridders met op Friezen lijkende paarden. Tijdens de kruistochten en later in de tachtigjarige oorlog is het zeer waarschijnlijk dat het Friese ras gekruist is met Arabische en Andalusische paarden. Het eerste schriftelijke bewijs van de naam 'Fries paard' is een mededeling dat de Duitse Keurvorst Johan Frederik van Saksen in 1544 op een Friese hengst naar de Rijksdag te Spiers kwam3. Drie jaar later bereed hij deze hengst tijdens de slag bij Muhlberg en hij werd al in de verte herkend door keizer Karel V. De uit 1568 stammende ets van de hengst Phryso1 van Don Juan van Oostenrijk te Napels is natuurlijk heel bekend. In de 17e eeuw is het Friese paard goed vertegenwoordigd in verschillende rijscholen, waar de Hogeschool der rijkunst werd beoefend.

Het gebruik van het Friese paard werd in de 18e en 19e eeuw meer en meer beperkt tot het huidige Friesland. Op het Friese platteland is het Friese paard aan het einde van de 19e eeuw vooral een uiting van de welstand, waarbij het vaak werd ingezet als de boerenstand ter kerke ging. Daarnaast werd het paard gebruikt voor 'vertier' in de vorm van kortebaan-draverijen onder het zadel2. Traditioneel werd het paard daarbij gereden met enkel een kleine oranje deken op zijn rug. In die periode is het Friese paard zeer waarschijnlijk ingezet in de Orlov-fokkerij en in de fokkerij van Amerikaanse dravers. Aan het einde van de 19e en het begin van de 20e eeuw volgde een zeer moeilijke periode. Het Friese paard moest concurreren met de zware paardenrassen. De dansende 'pronkpaarden' van de boerenstand waren minder geschikt voor het zware werk. De boeren gingen uiteindelijk over naar de zwaardere rassen of kruisten het Friese paard met deze rassen. Dit werd het Friese ras bijna noodlottig.

Op 1 mei 1879 werd daarom in café 'De Drie Romers' te Roordahuizum het Friesch Paarden-Stamboek opgericht. Van het registreren van de nog overgebleven Friese paarden ging een stimulans uit, maar toch bleef de populariteit van de zwaardere rassen, de zogenaamde Bovenlandse paarden, het Friese paard parten spelen en in het begin van de 20e eeuw ging het weer snel bergafwaarts. In 1913 waren nog slechts drie oudere stamboekhengsten voor de fokkerij beschikbaar4. Gelukkig waren er Friezen die het ras van de ondergang wilden behoeden en zij hebben de fokkerij een nieuw leven ingeblazen door een deskundig aankoop- en fokbeleid van nog aanwezige, kwalitatief voldoende, volbloed hengstveulens. Het beleid had succes en het Friese ras werd van de ondergang gered4. Onder andere de Koninklijke Stoeterij in Borculo en de Stoeterij 'De Oorsprong', in 1885 gesticht in Huis ter Heide van de familie Van Eysinga, speelden hierin een rol2.

Het Friese paard heeft naast een fantastisch exterieur een karakter, dat zich kenmerkt door vriendelijkheid, intelligentie, aanpassingsvermogen en een enorme bereidwilligheid om voor de mens te werken. Vooral dat karakter is er de oorzaak van geweest, dat er door de geschiedenis heen altijd mensen zijn geweest die voor haar door het vuur wilden gaan. 'Voorstanders' van de Bovenlanders waren vaak onevenredig hard in hun oordeel over het Friese paard: Die danste teveel voor de ploeg en daardoor ging nuttige energie verloren. Eigenlijk hadden zij ook wel een beetje gelijk, maar zij kenden niet de geschiedenis van het Friese paard en niet die diepe, diepe genegenheid van een mens en paard, zoals die bij Friezen zo vaak gezien wordt3.

 

Na 1913 was er geen andere keuze meer: Het Friese paard moest kunnen concurreren met de Bovenlander. Er werd vooral gefokt op kracht in plaats van op luxe. Het Friese paard werd daardoor wat kleiner en zwaarder van type. Zo ontstond een type wat we nu niet meer graag zien. We willen graag het oorspronkelijk luxe en langgelijnde type weer terug hebben4.

In de jaren zestig volgde een crisis in de fokkerij. Aangezien de boerenbedrijven gingen mechaniseren, werd het paard overcompleet. De meeste boeren hadden geen geld om het paard voor louter plezier aan te kunnen houden, waardoor het paard van de boerenerven verdween. In 1965 stonden nog maar zo'n 500 merries ingeschreven in de registers van het stamboek3. Gelukkig waren er nu ook grote liefhebbers die het paard onder de aandacht hebben gebracht van andere mensen, die niet van huis uit paarden hadden. De landelijke rijvereniging 'De Oorsprong' heeft in 1967 een kruistocht gemaakt door de provincie Friesland om daarmee het Friese paard te propageren. Van 28 maart tot 1 april trok een stoet liefhebbers met hun Friese paarden van Huis ter Heide naar Workum2. Dat deze promotietoer effect heeft gehad, blijkt uit de snelle groei van het ras in de twee daarop volgende decennia. Veel mensen ontdekten de geweldige eigenschappen van het Friese ras en wenden het Friese paard aan voor allerlei gebruiksdoelen. Anno 2016 zijn meer dan 70.000 paarden geregistreerd bij het KFPS verspreidt over meer dan 70 landen.

Bronvermelding:
1 Het Friese paard, ir. G.J.A. Bouma, E. Dijkstra en dr.ir. A. Osinga
2 Friese stamhengsten deel I, E. Dijkstra (citaat van Dr. Geurts)
3 Tekst R.J. Zethoven, oud-bestuurslid KFPS
4 Beoordelen van het Friese paard, samengesteld door P. de Boer, S. Minkema en A.M. Teekens