KFPS Royal Friesian

Inhoudsopgave

Artikel 1: Tuchtrecht

Artikel 2: Tuchtcommissie en commissie van beroep

Artikel 3: Onverenigbaarheden

Artikel 4: Voorzitter

Artikel 5: Bureau en secretaris

Artikel 6: Bevoegdheden

Artikel 7: Overtredingen

Artikel 8 De aangifte

Artikel 9: De betrokkene

Artikel 10: Mondelinge behandeling

Artikel 11: Zitting

Artikel 12: Getuigen en deskundigen

Artikel 13: Op te leggen straffen

Artikel 14: Straffen

Artikel 15: Uitspraak

Artikel 16: Beroep

Artikel 17: Tenuitvoerlegging

Artikel 18: Administratieve verzuimen en -maatregelen

Artikel 19: Administratiekosten

Artikel 20: Behandeling administratief verzuim

Artikel 21: Overtreding

Artikel 22: Beroep

 

Artikel 1 - Tuchtrecht

1. Dit Tuchtreglement wordt vastgesteld en gewijzigd door de Algemene Ledenvergadering dan wel – nadat deze is ingesteld – de ledenraad van het KFPS.

2. Dit Tuchtreglement is van toepassing op alle leden van het KFPS.

3. Alleen de in dit Tuchtreglement genoemde tuchtcommissie en in beroep de commissie van beroep zijn in het KFPS bevoegd aan leden van het KFPS straffen op te leggen.

4. Het KFPS faciliteert de onafhankelijke tuchtrechtspraak die op de leden van toepassing is. Het KFPS is zelf geen partij in een tuchtzaak, ook niet door het enkele feit dat het Algemeen Bestuur of de directie aangifte doet of beroep instelt. Het Algemeen Bestuur en de directie zijn niet gehouden tot een nadere toelichting van de aangifte of van het ingestelde beroep noch tot enige bewijsvoering.

5. Het Algemeen Bestuur kan de hem in dit reglement toegekende bevoegdheden aan de directie delegeren.

6. In dit reglement wordt onder ‘betrokkene’ verstaan het lid tegen wie aangifte is gedaan en/of het lid aan wie naar aanleiding van een aangifte door de tuchtcommissie en/of de commissie van beroep een straf is opgelegd. In geval van een overtreding van het Hippisch Dopingreglement geldt als ‘betrokkene’ het lid of de leden wiens/wier paard na expertise van het afgenomen monster positief is gebleken.

7. De leden, waaronder ook de betrokkene, zijn verplicht op eerste verzoek alle door de tuchtcommissie en de commissie van beroep voor de beoordeling van een zaak benodigde informatie te verschaffen en om aan de behandeling van een zaak de verzochte medewerking te verlenen.

8. Voor een tijdige ontvangst van de in dit reglement bedoelde stukken is beslissend de datum in het poststempel van een postbezorgdienst op de envelop, of wanneer het stuk wordt overhandigd de datum van overhandiging, welke moet blijken uit een verstrekt ontvangstbewijs.

 

Artikel 2 - Tuchtcommissie en commissie van beroep

1. De tuchtcommissie bestaat uit een voorzitter, een plaatsvervangend voorzitter en overige leden.

2. De commissie van beroep bestaat uit een voorzitter, een plaatsvervangend voorzitter en overige leden.

3. De leden van de tuchtcommissie of van de commissie van beroep behoeven geen lid te zijn van het KFPS, mits het commissielid een verklaring ondertekent waarin deze zich onderwerpt aan de statuten, reglementen en besluiten van het KFPS.

4. De leden van de tuchtcommissie en van de commissie van beroep worden benoemd, geschorst en ontslagen door de Algemene Ledenvergadering dan wel – nadat deze is ingesteld – de ledenraad van KFPS.

5. De voorzitter en de plaatsvervangend voorzitter van de tuchtcommissie en van de commissie van beroep zijn jurist en worden in functie benoemd.

6. De benoeming geschiedt voor de duur van drie jaar met de mogelijkheid van een aansluitende benoeming voor telkens een periode van vier jaar.

7. Benoemde leden treden in functie de dag na hun benoeming in de tuchtcommissie of in de commissie van beroep. Zij maken deel uit van de tuchtcommissie of van de commissie van beroep tot en met de dag waarop hun lidmaatschap van die commissie eindigt, tenzij zij op die datum bij de behandeling van een zaak zijn betrokken, in welk geval zij aftreden de dag na de datum waarop in die zaak uitspraak wordt gedaan.

 

Artikel 3 - Onverenigbaarheden

1. Het lidmaatschap van de tuchtcommissie en van de commissie van beroep is niet verenigbaar met het lidmaatschap van het Algemeen Bestuur en van de ledenraad en met het zijn van secretaris van één van beide commissies of van werknemer van het KFPS.

2. Een lid van de tuchtcommissie of van de commissie van beroep mag niet aan de behandeling van een zaak deelnemen indien het lid persoonlijk of uit andere hoofde bij die zaak betrokken is (geweest).

3. Een lid van een tuchtcommissie kan niet tegelijk zitting hebben in de commissie van beroep, noch na zijn aftreden als lid van de tuchtcommissie aansluitend als lid van de commissie van beroep betrokken zijn bij de behandeling van een zaak, waarover hij als lid van de tuchtcommissie heeft geoordeeld.

4. Indien een lid van de tuchtcommissie of commissie van beroep voor of tijdens de behandeling van een zaak meent dat zich een onverenigbaarheid voordoet of dat het commissielid zich om een andere reden wenst te verschonen als lid van die commissie, doet het commissielid hiervan zo spoedig mogelijk met opgave van redenen mededeling aan de voorzitter van de tuchtcommissie onderscheidenlijk van de commissie van beroep, die alsdan een ander lid van de commissie aanwijst.

 

Artikel 4 - Voorzitter

1. De tuchtcommissie wordt geleid door haar voorzitter die wordt bijgestaan door een plaatsvervangend voorzitter.

2. De commissie van beroep wordt geleid door haar voorzitter die wordt bijgestaan door een plaatsvervangend voorzitter.

3. De plaatsvervangend voorzitter heeft dezelfde rechten en bevoegdheden als de voorzitter. Waar in dit reglement wordt gesproken over de voorzitter wordt daarmee ook de plaatsvervangend voorzitter bedoeld.

4. De voorzitter van de tuchtcommissie en van de commissie van beroep coördineren de werkzaamheden van hun commissie en bevorderen waar mogelijk de eenheid in de uitspraken van de commissies.

5. De voorzitter van de tuchtcommissie en de voorzitter van de commissie van beroep zijn tevens belast met het nemen van beslissingen die hen in dit reglement zijn opgedragen. Indien een voorzitter bedoelde beslissing heeft genomen, wordt de zaak verder behandeld onder leiding van de plaatsvervangend voorzitter.

 

Artikel 5 – Stamboekkantoor en secretaris

1. Het Stamboekkantoor van het KFPS is belast met de administratieve behandeling van tuchtzaken.

2. De directie van het KFPS voorziet in de toevoeging van een secretaris die de tuchtcommissie en de commissie van beroep bij de behandeling van zaken ondersteunt.

3. De directie kan de secretaris belasten met de aan het bureau opgedragen werkzaamheden.

 

Artikel 6 - Bevoegdheden

1. De tuchtcommissie behandelt overtredingen in eerste instantie.

2. De commissie van beroep behandelt het beroep dat tegen een uitspraak van de tuchtcommissie is ingesteld door hetzij de betrokkene hetzij door het Algemeen Bestuur.

3. De tuchtcommissie en de commissie van beroep beoordelen op grond van de aangifte of een overtreding is begaan. De tuchtcommissie en de commissie van beroep hebben de bevoegdheid de aangifte te wijzigen in het geval als bedoeld in artikel 8 lid 9.

4. De tuchtcommissie en de commissie van beroep kunnen ieder een lid verplichten door de desbetreffende commissie gestelde vragen schriftelijk of ter zitting mondeling te beantwoorden. Een lid van het algemeen bestuur of van de directie kan de beantwoording van een aan hem gestelde vraag met een beroep op het algemeen belang van het KFPS of het belang van niet bij de tuchtzaak betrokken derden gemotiveerd weigeren.

 

Artikel 7 - Overtreding

1. Een overtreding in de zin van dit Tuchtreglement is elk handelen of nalaten: a. waardoor een bepaling in de statuten of reglementen van het KFPS wordt overtreden, dit reglement hieronder begrepen; b. dat in strijd is met een besluit van een orgaan of van een commissie van het KFPS; c. waardoor de belangen van het KFPS of van het stamboekwezen in het algemeen worden geschaad; d. waarbij een lid zich jegens een ander lid, een orgaan, het bureau of een commissie van het KFPS niet gedraagt naar hetgeen door de redelijkheid en billijkheid wordt verlangd.

2. Onder een overtreding wordt bovendien verstaan het niet, niet tijdig of niet naar behoren nakomen van verplichtingen, alsmede het gelegenheid bieden of aansporen tot, het vergemakkelijken van of het behulpzaam zijn bij het begaan van een overtreding.

3. Een overtreding is strafbaar indien er sprake is van opzet, schuld, nalatigheid of onzorgvuldigheid van de betrokkene. Indien er sprake is van het gebruik van een verboden middel, zoals strafbaar is gesteld in het Dopingreglement, is het bepaalde in de eerste zin niet van toepassing maar geldt jegens de betrokkene het beginsel van de risicoaansprakelijkheid.

4. Het bewijs van een overtreding is geleverd indien de commissie op grond van feiten en omstandigheden de overtuiging heeft dat de betrokkene de overtreding heeft begaan. De commissie kan het bewijs mede gronden op stukken, verklaringen, foto’s, t.v.- of videobeelden. Het bewijs kan niet kan worden gegrond op één enkel stuk, één enkele verklaring of alleen op beeldmateriaal, met uitzondering van een verklaring van een in functie zijnde functionaris. Indien er sprake is van een overtreding van het Hippisch Dopingreglement vormt het document van het laboratorium dat het desbetreffende monster een verboden stof bevat het bewijs van de overtreding.

5. Overtredingen kunnen door de commissie ook worden bestraft, indien dezelfde gedraging ter beoordeling aan de strafrechter of aan de burgerlijke rechter is of kan worden voorgelegd.

6. Indien een overtreding van dit reglement is begaan, doet de secretaris daarvan schriftelijk mededeling aan het algemeen bestuur en kan het algemeen bestuur terzake tegen de betrokkene aangifte doen.

 

Artikel 8 - De aangifte

1. Een lid en het algemeen bestuur zijn ieder voor zich bevoegd aangifte te doen van een door een lid begane overtreding, als bedoeld in artikel 7. Degene die aangifte doet formuleert de overtreding, tenzij in dit reglement anders is bepaald.

2. Indien na een dopingcontrole de uitslag van de contra-expertise – of indien geen contra-expertise is gehouden – de uitslag van de expertise positief is, stelt de directie de betrokkene en de tuchtcommissie daarvan schriftelijk binnen twee weken na ontvangst van de uitslag in kennis welke mededeling als aangifte geldt. De directie legt de uitslag van het laboratorium over die als grondslag geldt voor de tegen de betrokkene aanhangig te maken tuchtzaak. De directie legt tevens het dopingcontroleformulier over. Voor zover de directie nadien nog bescheiden van het laboratorium ontvangt, zendt hij kopieën daarvan zo spoedig mogelijk aan de tuchtcommissie die een kopie daarvan aan het lid toezendt.

3. Een lid dient de aangifte in vijfvoud in bij het bureau. Toezending van de aangifte geschiedt per aangetekende brief. Indien het lid de aangifte op het bureau afgeeft, ontvangt het lid een bewijs van ontvangst.

4. Het algemeen bestuur kan bepalen dat de tuchtcommissie een aangifte niet eerder in behandeling neemt dan nadat de aangever de jaarlijks door het algemeen bestuur vastgestelde administratiekosten aan het bureau heeft voldaan.

5. De tuchtcommissie neemt een aangifte niet in behandeling indien deze betrekking heeft op een overtreding die meer dan vier maanden voor de datum van ontvangst van de aangifte is begaan, tenzij de aangever naar het oordeel van de tuchtcommissie voldoende aannemelijk maakt dat niet eerder aangifte kon worden gedaan en de aangifte zo spoedig mogelijk nadien is gedaan. Besluit de tuchtcommissie de aangifte niet in behandeling te nemen dan staat daarvan, met inachtneming van het bepaalde in artikel 16, beroep open bij de commissie van beroep.

6. Een anoniem gedane aangifte wordt niet in behandeling genomen.

7. De in de aangifte geformuleerde overtreding vormt de grondslag voor de behandeling van een zaak door de tuchtcommissie en door de commissie van beroep.

8. In afwijking van het bepaalde in lid 7 kan een aangifte door de aangever nadien alleen met toestemming van de tuchtcommissie worden gewijzigd, welke wijziging kan worden geweigerd indien naar het oordeel van de tuchtcommissie reeds bij het doen van de aangifte met de verzochte wijziging van de aangifte rekening had kunnen worden gehouden of wanneer de betrokkene daardoor in zijn verdediging aanzienlijk wordt geschaad.

9. In afwijking van het bepaalde in lid 7 kan de tuchtcommissie of de commissie van beroep een aangifte wijzigen indien bij de behandeling van de zaak blijkt dat een andere soortgelijke overtreding is begaan dan waarvan aangifte is gedaan en kan zij de behandeling van de zaak op grond van de gewijzigde aangifte voortzetten, mits de betrokkene zich tegen de gewijzigde aangifte kan verweren.

10. Het doen van een valse aangifte levert een overtreding van dit reglement op die met inachtneming van dit reglement wordt bestraft, zij het dat – in afwijking van het bepaalde in lid 1 - de aangifte alsdan wordt geformuleerd door de secretaris. Zo mogelijk geschiedt de behandeling van die zaak door andere leden van de desbetreffende commissie.

 

Artikel 9 - De betrokkene

1. De secretaris zendt de aangifte met bijbehorende documenten per aangetekende brief binnen vijf werkdagen na ontvangst aan de betrokkene.

2. De betrokkene kan tegen de aangifte een verweerschrift indienen. Het verweerschrift wordt per aangetekende brief in vijfvoud aan het bureau toegezonden. De termijn voor het indienen van het verweerschrift bedraagt veertien dagen. Op gemotiveerd verzoek van de betrokkene kan de voorzitter van de tuchtcommissie deze termijn verlengen tot ten hoogste één kalendermaand. Beide termijnen worden gerekend vanaf de datum van toezending van de aangifte aan de betrokkene.

3. De betrokkene is gehouden naar waarheid te verklaren. De tuchtcommissie en de commissie van beroep kunnen te allen tijde van de betrokkene verlangen dat deze op gestelde vragen zelf antwoordt en voor die beantwoording niet naar zijn raadsman of een ander verwijst.

4. De betrokkene kan zich bij zowel de tuchtcommissie als de commissie van beroep door een raadsman doen bijstaan. Is de raadsman niet een advocaat, dan legt de raadsman bij het verweerschrift een schriftelijke volmacht van de betrokkene over. Tijdens een mondelinge behandeling kan de betrokkene een raadsman, die geen advocaat is, mondeling tot zijn gemachtigde benoemen. Voor een raadsman gelden dezelfde rechten en verplichtingen als voor de betrokkene.

5. Op verzoek van de betrokkene kan het bureau de correspondentie in de tuchtzaak aan de raadsman toezenden. De betrokkene kan zich nadien niet beroepen op onbekendheid met het verloop van de procedure en/of met door hem te verrichten handelingen.

 

Artikel 10 - Mondelinge behandeling

1. De betrokkene kan bij de behandeling van zijn zaak bij zowel de tuchtcommissie als de commissie van beroep om een mondelinge behandeling verzoeken. Het verzoek wordt schriftelijk gedaan bij het bureau.

2. De tuchtcommissie en de commissie van beroep kunnen zelf een mondelinge behandeling gelasten.

3. In afwijking van het bepaalde in lid 1 en 2 zijn de tuchtcommissie en de commissie van beroep verplicht een mondelinge behandeling te houden, indien de aangifte of het beroep kan leiden tot het opleggen van een voorlopige straf, als bedoeld in artikel 13 lid 9, tot een royement of tot een kostenveroordeling als bedoeld in artikel 13 lid 1 onder g.

4. Ingeval van een mondelinge behandeling stelt het bureau datum, uur en plaats van behandeling vast en doet daarvan aan de betrokkene ten minste vijf dagen vóór de dag van de zitting schriftelijk mededeling door toezending per aangetekende brief.

5. Het bureau roept ook andere personen, waarvan de tuchtcommissie of commissie van beroep de verschijning gewenst acht, bij brief op.

6. De mondelinge behandeling vindt niet in het openbaar plaats. De tuchtcommissie of de commissie van beroep kan anders beslissen wanneer naar haar oordeel het belang van de zaak daartoe noodzaakt. Indien de zitting niet openbaar is, kunnen de betrokkene en het algemeen bestuur van het KFPS ieder de mondelinge behandeling doen bijwonen door ten hoogste drie toehoorders, die in die zaak niet nadien als getuige kunnen worden gehoord.

7. Wanneer geen mondelinge behandeling is vastgesteld, wordt de zaak schriftelijk afgedaan.

 

Artikel 11 - Zitting

1. De tuchtcommissie en de commissie van beroep bepalen wie tot een zitting toegang heeft.

2. Indien de betrokkene niet ter zitting is verschenen, gaan de tuchtcommissie en de commissie van beroep na of de betrokkene behoorlijk is opgeroepen. Heeft geen behoorlijke oproeping plaatsgevonden of meent de tuchtcommissie of de commissie van beroep om een andere reden dat uitstel van de behandeling gewenst is, dan stelt zij de behandeling tot een nader te bepalen datum uit. De betrokkene wordt hiervan door het bureau schriftelijk in kennis gesteld.

3. Indien een getuige of deskundige niet ter zitting is verschenen, kan de tuchtcommissie of de commissie van beroep besluiten de zitting uit te stellen, dan wel de zaak voor zover mogelijk te behandelen en voor de niet-verschenen getuige of deskundige op een andere datum voort te zetten.

4. De betrokkene en diens raadsman mogen de gehele zitting bijwonen, tenzij het bepaalde in lid 5 toepassing vindt.

5. De tuchtcommissie en de commissie van beroep kunnen een ieder wiens gedrag daartoe aanleiding geeft, het verder bijwonen van de zitting ontzeggen.

6. De leden van de tuchtcommissie en van de commissie van beroep stellen de betrokkene en andere te horen personen zo nodig vragen. De betrokkene kan verzoeken aanvullende vragen te mogen stellen. Aan dit verzoek wordt voldaan, tenzij de vragen naar het oordeel van de voorzitter niet ter zake dienende zijn.

7. Indien de tuchtcommissie of de commissie van beroep meent dat er wellicht sprake is van een andere, soortgelijke overtreding dan waarvan aangifte is gedaan, deelt de voorzitter dit de betrokkene mee en stelt hij hem in de gelegenheid daartegen verweer te voeren, hetzij – al dan niet na een schorsing - ter zitting, hetzij nadien ter zitting of op andere wijze.

8. De secretaris maakt van de mondelinge behandeling een relevante, zakelijke samenvatting die door de voorzitter en de secretaris worden ondertekend. Indien geen secretaris ter zitting aanwezig is, treedt één van de overige leden van de commissie als secretaris op die alsdan in de rechten en bevoegdheden van de secretaris treedt.

 

Artikel 12 - Getuigen en deskundigen

1. De tuchtcommissie en de commissie van beroep zijn bevoegd voor een zitting getuigen en deskundigen op te roepen. Het bureau doet hiervan en van hun namen en deskundigheid mededeling aan de betrokkene.

2. De betrokkene kan zelf voor een zitting ten hoogste drie getuigen of deskundigen oproepen en doet hiervan uiterlijk drie dagen voor de zitting schriftelijk mededeling aan het bureau onder opgave van hun namen en adressen. Van de deskundige wordt bovendien opgave gedaan van zijn deskundigheid. Alleen met voorafgaande schriftelijke toestemming van de voorzitter kan de betrokkene meer dan drie getuigen of deskundigen oproepen.

3. Indien de tuchtcommissie of de commissie van beroep in een dopingzaak een lid van de dopingadviescommissie als deskundige oproept, doet zij hiervan en van diens deskundigheid mededeling aan de betrokkene.

4. Leden van het KFPS die als getuige of deskundige worden opgeroepen, zijn verplicht te verschijnen. Ook anderen dan leden kunnen als getuige of deskundige worden opgeroepen.

5. Getuigen en deskundigen kunnen in beginsel alleen ter zitting worden gehoord. Indien een getuige of deskundige ter zitting redelijkerwijs niet aanwezig kan zijn, kan hij met toestemming van de voorzitter een door hem ondertekende schriftelijke verklaring overleggen, welke aan de betrokkene ter inzage wordt gegeven.

6. Getuigen zijn verplicht naar waarheid te verklaren. Deskundigen zijn verplicht te antwoorden naar hetgeen de wetenschap hen leert. De voorzitter kan hen verzoeken een zakelijke samenvatting van hun verklaring te ondertekenen.

7. Het niet naar waarheid verklaren levert een overtreding op die met inachtneming van dit reglement kan worden bestraft. Het bepaalde in artikel 8 lid 10 is alsdan van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat de aangifte wordt geformuleerd door de secretaris van de commissie tegenover wie niet naar waarheid is verklaard. De behandeling van deze aangifte geschiedt zo mogelijk door andere leden van de commissie.

 

Artikel 13 - Op te leggen straffen

1. Als straf kan worden opgelegd:

a. een berisping;

b. een geldboete tot een maximum van € 50.000,-;

c. de uitsluiting van deelname aan een evenement, waaronder een verrichtingsonderzoek;

d. de uitsluiting van deelname aan één of meer activiteiten van het KFPS;

e. het ontzeggen van het recht tot het uitoefenen van één of meer functies in het KFPS;

f. het ontnemen van een tijdens een evenement aan een paard gegeven kwalificatie;

g. veroordeling in de kosten, als bedoeld in lid 3 van dit artikel.

h. de in het Hippisch Dopingreglement vermelde straffen;

i. publicatie van de straf in de officiële mededelingen van het KFPS van de betrokkene met diens naam en woonplaats;

j. de schorsing;

k. het royement (ontzetting).

2. Indien het Hippisch Dopingreglement in het geval van een overtreding dwingend een bepaalde sanctie voorschrijft zijn de tuchtcommissie en de commissie van beroep gehouden die sanctie als straf op te leggen maar staat het hen vrij zelf de strafmaat te bepalen, tenzij in het Hippisch Dopingreglement ook de strafmaat dwingend is voorgeschreven. Indien het Hippisch Dopingreglement in geval van overtreding van dat reglement de toepassing van een sanctie verbiedt, is het de tuchtcommissie en de commissie van beroep niet toegestaan die sanctie op te leggen.

3. Het algemeen bestuur van het KFPS kan bij de aangifte of in beroep bij de desbetreffende commissie een zelfstandig verzoek indienen een bepaalde straf op te leggen en/of om de betrokkene geheel of gedeeltelijk in de kosten van de tuchtrechtelijke procedure te veroordelen, waaronder begrepen de bureaukosten van het KFPS en de kosten van de secretaris.

4. In een geval waarin aan een tuchtzaak door toedoen van de betrokkene of diens raadsman door de secretaris, door het Stamboekkantoor van het KFPS en/of door de raadsman van het KFPS in totaal meer dan vier uur is besteed, kan het algemeen bestuur de desbetreffende commissie tevens verzoeken de betrokkene niet alleen te veroordelen in de in lid 3 bedoelde kosten, maar voor het meerdere boven vier uur ook volledig in de extra kosten. Indien het algemeen bestuur het in dit lid bedoelde verzoek doet, wordt de directie, een medewerker en/of de raadsman van het KFPS toegestaan ter zitting de gevorderde kosten nader toe te lichten.

5. Indien de betrokkene meer overtredingen heeft begaan, kan voor elke overtreding afzonderlijk een straf worden opgelegd. De tuchtcommissie en/of de commissie van beroep kunnen alsdan ook volstaan met het opleggen van één straf.

6. De geldboete, de uitsluiting van deelname aan een verrichtingsonderzoek en/of het ontzeggen van het recht tot het uitoefenen van één of meer functies kunnen voorwaardelijk worden opgelegd. Het voorwaardelijke gedeelte van een straf wordt aan een termijn van ten hoogste twee jaar gebonden. Andere straffen kunnen niet voorwaardelijk worden opgelegd. Het Hippisch Dopingreglement kan anders bepalen.

7. Een berisping, een schorsing en een royement kunnen – met uitsluiting van de publicatie van de straf - niet tezamen met een andere straf worden opgelegd.

8. Indien de betrokkene binnen de termijn van de voorwaardelijk opgelegde straf weer een overtreding begaat, kan de tuchtcommissie en/of de commissie van beroep beslissen het voorwaardelijke gedeelte alsnog in een onvoorwaardelijke straf om te zetten en daarnaast een straf op te leggen voor de nieuwe overtreding.

9. Maakt een overtreding, waarvan aangifte is gedaan, een ernstige inbreuk op de rechtsorde in het KFPS dan kan de tuchtcommissie, zodra aangifte is gedaan en voordat verweer is gevoerd of een mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden, aan de betrokkene een voorlopige straf opleggen. De termijn van verweer, als vermeld in artikel 9 lid 2, blijft dan van toepassing.

 

Artikel 14 - Straffen

1. Een berisping kan als straf worden opgelegd indien de tuchtcommissie en/of commissie van beroep meent met een eenvoudige waarschuwing te kunnen volstaan.

2. Een geldboete kan als straf worden opgelegd wanneer de betrokkene door de overtreding geldelijk voordeel heeft behaald, of de belangen van het KFPS of van een ander lid heeft geschaad, of wanneer de tuchtcommissie en/of commissie van beroep een geldboete, al dan niet in combinatie met een andere straf, passend acht.

3. Een uitsluiting van deelname aan een verrichtingsonderzoek kan ook als voorlopige straf worden opgelegd; ook in het geval het paard reeds aan een verrichtingsonderzoek deelneemt in welk geval de deelname met onmiddellijke ingang kan worden beëindigd. Indien een paard zich heeft gekwalificeerd voor deelname aan het verrichtingsonderzoek en de tuchtcommissie of de commissie van beroep vóór of tijdens die deelname in haar uitspraak een overtreding van het Hippisch Dopingreglement vaststelt, wordt de deelname aan het verrichtingsonderzoek met onmiddellijke ingang beëindigd. Indien bij wijze van straf de deelname aan het verrichtingsonderzoek wordt beëindigd, kan met het paard aan een volgend verrichtingsonderzoek en daarvoor voorgeschreven evenementen worden deelgenomen, mits het paard voldoet aan de voor deelname in het algemene geldende voorwaarden en zich kwalificeert.

4. Een uitsluiting van deelname aan activiteiten van het KFPS wordt als straf opgelegd voor een bepaalde duur en/of voor bepaalde activiteiten en/of evenementen.

5. De ontzegging van de bevoegdheid om bij het KFPS één of meer functies uit te oefenen wordt alleen als straf opgelegd indien de overtreding in de uitoefening van een bepaalde functie is begaan. Bedoelde ontzegging kan op die functie, maar ook op door de tuchtcommissie en/of commissie van beroep te bepalen andere functies in het KFPS betrekking hebben. De ontzegging geschiedt voor een maximale duur van drie jaar.

6. Een in het Hippisch Dopingreglement vermelde straf wordt alleen opgelegd indien er sprake is van een overtreding van het Hippisch Dopingreglement.

7. Een schorsing wordt als straf opgelegd indien de overtreding zo ernstig is dat niet met een lichtere straf kan worden volstaan en een royement een te zware straf is. Een schorsing kan worden opgelegd voor de duur van maximaal vijf jaar. Gedurende de schorsing kan de betrokkene geen functie en lidmaatschapsrechten uitoefenen, noch deelnemen aan activiteiten en/of evenementen van het KFPS en blijven de uit het lidmaatschap voortvloeiende verplichtingen onverkort op het lid van toepassing.

8. Het royement wordt als straf opgelegd indien de betrokkene in ernstige mate in strijd handelt met de statuten, reglementen en besluiten van organen van het KFPS en wel in die mate dat de overtreding een beëindiging van het lidmaatschap rechtvaardigt.

9. Indien een straf voor een bepaalde duur geldt of voor bepaalde activiteiten of functies wordt daarvan in de uitspraak mededeling gedaan.

10. De publicatie van de straf geschiedt op de wijze zoals is bepaald in artikel 15 lid 4.

 

Artikel 15 - Uitspraak

1. De tuchtcommissie onderscheidenlijk de commissie van beroep doet zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk drie weken na de beëindiging van de behandeling van de zaak schriftelijk uitspraak.

2. De desbetreffende commissie kan ook binnen een week na beëindiging van de behandeling van een zaak mondeling een uitspraak doen waarin alleen de essentie van de uitspraak wordt weergegeven en binnen twee weken na de datum van deze uitspraak nadien een schriftelijk gemotiveerde uitspraak doen.

3. Een uitspraak van de tuchtcommissie en van de commissie van beroep komt tot stand door een met gewone meerderheid genomen besluit. De commissieleden hebben elk één stem. De secretaris woont het beraad in de raadkamer bij maar neemt niet deel aan de stemming.

4. De tuchtcommissie onderscheidenlijk de commissie van beroep vermeldt in de uitspraak in beginsel de volledige naam en woonplaats van de betrokken(n), tenzij de desbetreffende commissie om reden van zwaarwegende aard volstaat met de initialen van de betrokkene(n) en de volledige woonplaats, dan wel met de volledige naam en de eerste letter van de woonplaats. Indien de desbetreffende commissie de naam en/of woonplaats van de betrokkene niet volledig in de uitspraak opneemt, worden deze wel volledig in de tuchtrechtelijke administratie opgenomen.

5. Indien de tuchtcommissie van oordeel is dat de in de aangifte of in de gewijzigde aangifte vermelde overtreding niet is begaan, spreekt zij de betrokkene vrij.

6. Indien de tuchtcommissie van oordeel is dat de in de aangifte of in de gewijzigde aangifte bedoelde overtreding is begaan, deelt zij aan de betrokkene mee voor welke overtreding welke straf wordt opgelegd.

7. Indien de commissie van beroep van oordeel is dat de uitspraak van de tuchtcommissie in stand kan blijven, bevestigt zij die uitspraak.

8. Indien de commissie van beroep van oordeel is dat de uitspraak van de tuchtcommissie niet in stand kan blijven, wijzigt zij deze uitspraak en bepaalt zij of de betrokkene wordt vrijgesproken, dan wel ter zake van welke overtreding welke straf aan de betrokkene wordt opgelegd.

9. Bij het bepalen van de straf en de strafmaat worden zoveel mogelijk in gelijksoortige zaken dezelfde maatstaven aangelegd.

10. In de uitspraak wordt bepaald of en in welke mate de aan de behandeling van een zaak verbonden kosten ten laste van de aangever en/of de betrokkene en/of het KFPS komen. Die kosten betreffen de kosten van het bureau, van de secretaris en van de desbetreffende commissie. Indien de betrokkene wordt veroordeeld in de extra kosten, zoals bedoeld in artikel 13 lid 4, worden deze door de commissie naar redelijkheid en billijkheid bepaald en wordt de grondslag van die veroordeling in de uitspraak aan de betrokkene medegedeeld.

11. Het bureau zendt de uitspraak van de tuchtcommissie en van de commissie van beroep per aangetekende brief met bericht van ontvangst aan de betrokkene. Het bureau zendt de uitspraak ook aan het algemeen bestuur.

12. De uitspraken van de commissie van beroep en van de tuchtcommissie - indien daarvan niet tijdig beroep is ingesteld - zijn onherroepelijk en voor de betrokkene en alle leden van het KFPS bindend.

 

Artikel 16 - Beroep

1. Met uitzondering van een vrijspraak, kan de betrokkene van elke andere uitspraak van de tuchtcommissie beroep instellen bij de commissie van beroep. Het beroep kan alleen worden ingediend door de betrokkene zelf of door diens raadsman of wettelijk vertegenwoordiger. Indien de betrokkene visueel gehandicapt is, onder curatele staat of een mentor diens belangen behartigt, kan de persoon of instelling die diens belangen behartigt ook met instemming van de betrokkene namens deze beroep instellen. Indien een ingesteld beroep voor de behandeling wordt ingetrokken, is de betrokkene een door het algemeen bestuur vastgesteld bedrag aan administratiekosten verschuldigd.

2. Indien meer dan één lid eigenaar van een paard is, kan iedere eigenaar van een uitspraak beroep instellen en vermeldt hij in het beroepschrift welke eigenaren beroep instellen en welke niet. Een uitspraak van de commissie van beroep kan alleen van toepassing zijn op de persoon van de eigenaar (eigenaren) die beroep heeft (hebben) ingesteld. Een lid/eigenaar dat geen beroep heeft ingesteld kan niet in persoon door de uitspraak van de commissie van beroep worden getroffen. Voorzover de uitspraak van de commissie van beroep betrekking heeft op het desbetreffende paard van de eigenaren, is die uitspraak één en ondeelbaar en treft deze ook de eigenaar (eigenaren) die geen beroep heeft (hebben) ingesteld.

3. Indien het algemeen bestuur een uitspraak van de tuchtcommissie, waaronder begrepen een vrijspraak, in strijd acht met het algemeen belang van het KFPS, kan het algemeen bestuur namens het KFPS beroep instellen.

4. De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt twee weken na de datum van schriftelijke uitspraak van de tuchtcommissie, welke geacht wordt twee dagen na de datum van verzending te zijn gelegen, tenzij de betrokkene aannemelijk kan maken dat hij niet eerder van de uitspraak van de tuchtcommissie heeft kunnen kennis nemen. Alleen in het geval de tuchtcommissie een royement heeft uitgesproken bedraagt de beroepstermijn één maand. Deze termijn geldt ook voor het algemeen bestuur indien de tuchtcommissie ondanks een daartoe strekkend verzoek van het algemeen bestuur niet tot een royement heeft besloten.

5. Het beroep wordt ingesteld door een beroepschrift waarin wordt vermeld waarom beroep wordt ingesteld. Het beroepschrift wordt in vijfvoud bij het bureau ingediend door toezending per aangetekende brief. Het algemeen bestuur kan volstaan met het indienen van het beroepschrift.

6. Indien het beroepschrift tijdig is ingediend kan de betrokkene desgewenst volstaan met het louter formeel indienen van een beroep, mits het bureau uiterlijk veertien dagen na de ontvangst van het formele beroepschrift een aanvullend beroepschrift heeft ontvangen waarin de gronden van het beroep zijn vermeld. Deze bevoegdheid komt ook het algemeen bestuur toe indien deze beroep instelt.

7. Voor de behandeling van het beroep is de betrokkene het jaarlijks door het algemeen bestuur vastgestelde bedrag aan administratiekosten verschuldigd, welk bedrag tegelijk met het indienen van het beroepschrift wordt overgemaakt aan het bureau. Het beroepschrift wordt niet eerder in behandeling genomen dan na ontvangst van bedoelde administratiekosten. Dit bedrag dient uiterlijk binnen de (verlengde) beroepstermijn te zijn voldaan door bijschrijving op een door het bureau opgegeven bankrekening van het KFPS. Het bureau kan deze termijn nadien slechts eenmaal verlengen met veertien dagen. Heeft alsdan geen betaling plaatsgevonden, dan is de betrokkene niet-ontvankelijk in zijn beroep.

8. Indien de betrokkene door de commissie van beroep wordt vrijgesproken, worden de in beroep door de betrokkene betaalde administratiekosten aan hem terugbetaald.

9. Op de tenuitvoerlegging van een straf tijdens de behandeling van een beroep is het bepaalde in art. 17 van toepassing.

 

Artikel 17 - Tenuitvoerlegging

1. Het algemeen bestuur ziet toe op de tenuitvoerlegging van straffen.

2. De betrokkene, andere leden en organen van het KFPS zijn verplicht hun medewerking aan de tenuitvoerlegging van een straf te verlenen. Het daarmede in gebreke blijven levert een overtreding op.

3. De tenuitvoerlegging van een door de tuchtcommissie opgelegde straf vangt aan op de datum waarop zij uitspraak doet, tenzij in de uitspraak anders is bepaald.

4. Het instellen van beroep schort de tenuitvoerlegging van een straf niet op. Op verzoek van de betrokkene kan de voorzitter van de commissie van beroep de tenuitvoerlegging van een straf tijdens de behandeling van het beroep opschorten. Het verzoek tot het opschorten van de straf kan tegelijk worden gedaan met het indienen van een beroepschrift maar niet eerder. Het verzoek wordt niet eerder in behandeling genomen dan nadat voldaan is aan het bepaalde in artikel 16 lid 6. De voorzitter van de commissie van beroep doet op het verzoek schriftelijk uitspraak, welke uitspraak de commissie van beroep niet bindt bij haar eindoordeel.

5. Het algemeen bestuur kan de tenuitvoerlegging van een straf opschorten, indien ten aanzien van de opgelegde straf nieuwe feiten of omstandigheden blijken, die - waren deze tijdens de behandeling van de zaak door de tuchtcommissie of de commissie van beroep bekend geweest - met een grote mate van zekerheid tot een vrijspraak of een veel lichtere of andere straf zouden hebben geleid. Een dergelijk verzoek tot herziening moet schriftelijk door de betrokkene zijn gedaan met een uitvoerige motivering van die feiten en omstandigheden. Het algemeen bestuur kan het verzoek alleen in behandeling nemen, indien op dat moment geen mogelijkheid van beroep openstaat.

6. Indien het algemeen bestuur het verzoek tot herziening inwilligt en de tenuitvoerlegging opschort, stelt het algemeen bestuur het verzoek aan de tuchtcommissie ter hand, die het verzoek als ware het een aangifte behandelt. De tuchtcommissie behandelt de zaak dan opnieuw, van welke uitspraak beroep kan worden ingesteld.

7. Het verzoek tot herziening kan slechts éénmaal worden gedaan.

 

ADMINISTRATIEVE VERZUIMEN

Artikel 18 - Administratieve verzuimen en –maatregelen

1. Als administratieve verzuimen worden aangemerkt:

a. het niet of niet tijdig voldoen van verschuldigde gelden;

b. het niet, niet tijdig of niet volledig indienen van door het KFPS voorgeschreven formulieren;

c. het niet tijdig verschaffen van inlichtingen en gegevens aan het algemeen bestuur of een ander orgaan of commissie van het KFPS;

d. de in een reglement vermelde verzuimen.

2. Indien de duur van een in lid 1 onder genoemd verzuim meer dan twee weken bedraagt, is het algemeen bestuur bevoegd voor elke week of een gedeelte daarvan dat het verzuim nadien voortduurt het voor dat verzuim door het algemeen bestuur vastgestelde bedrag aan administratiekosten in rekening te brengen. Het algemeen bestuur kan onder zijn verantwoordelijkheid het opleggen van administratiekosten ook aan andere bestuursorganen in het KFPS delegeren.

3. Het algemeen bestuur is bevoegd ter zake van een administratief verzuim een administratieve maatregel te nemen.

4. Een administratieve maatregel bestaat uit het in rekening brengen van de administratiekosten, als bedoeld in artikel 19.

5. Zodra aangifte van een administratief verzuim is gedaan of tegen het administratief verzuim een bezwaarschrift is ingediend, eindigt ter zake van dat verzuim de bevoegdheid van het algemeen bestuur en is alleen de tuchtcommissie - en in beroep de commissie van beroep - bevoegd de overtreding met inachtneming van dit Tuchtreglement te behandelen.

 

Artikel 19 – Administratiekosten

1. Het algemeen bestuur stelt jaarlijks voor elk verzuim het bedrag aan administratiekosten vast en doet hiervan voor de aanvang van het seizoen mededeling in de officiële mededelingen.

2. Het algemeen bestuur belast de betrokkene of diens vereniging in rekening-courant met het bedrag van de administratiekosten of brengt deze kosten op andere wijze aan de betrokkene in rekening.

 

Artikel 20 - Behandeling administratief verzuim

1. Het algemeen bestuur deelt de betrokkene schriftelijk mede ter zake van welk administratief verzuim welke administratieve maatregel wordt genomen. Bedoelde mededeling kan ook geschieden door verrekening met een door de betrokkene en/of diens vereniging bij het KFPS gehouden rekening-courant of op andere bij het KFPS gebruikelijke wijze, mits de administratieve maatregel voor de betrokkene kenbaar is.

2. De betrokkene die zich niet verenigen kan met een tegen hem genomen administratieve maatregel, kan daartegen binnen veertien dagen na de in lid 1 bedoelde mededeling door het indienen van een schriftelijk beklag bezwaar maken bij het algemeen bestuur.

3. Het algemeen bestuur kan naar aanleiding van het ingediende beklag de genomen administratieve maatregel intrekken, wijzigen of handhaven.

4. In geval de administratieve maatregel wordt gewijzigd of wordt gehandhaafd, kan de betrokkene de zaak door middel van een bezwaarschrift voorleggen aan de tuchtcommissie, in welk geval artikel 8 van toepassing is en de tuchtcommissie het bezwaarschrift behandelt op de wijze waarop de aangifte van een overtreding wordt behandeld.

 

Artikel 21 - Overtreding

1. Indien een administratief verzuim langer dan vier weken voortduurt, kan het verzuim als een overtreding, als bedoeld in artikel 7, worden aangemerkt en kan het algemeen bestuur hiervan aangifte doen bij de tuchtcommissie, die de zaak behandelt met inachtneming van het bepaalde in artikel 8.

2. Indien naar het oordeel van de commissie er sprake is van een overtreding als bedoeld in artikel 7, kan zij de betrokkene een geldboete opleggen tot een maximum als genoemd in artikel 13 lid 1.

3. De tuchtcommissie en de commissie van beroep zijn bevoegd een overtreding te bestraffen wanneer ter zake van dezelfde overtreding een administratieve maatregel is genomen, of naar te verwachten is, zal worden genomen.

 

Artikel 22 - Beroep

1. Indien de door de tuchtcommissie opgelegde boete vermeerderd met het bedrag aan in rekening gebrachte administratiekosten meer dan € 100,- bedraagt, kan de betrokkene hiervan in beroep gaan bij de commissie van beroep.

2. Artikel 16 is op het beroep van toepassing.