KFPS Royal Friesian
 Verrichtingsproeven & uitleg beoordelingscriteria 
 
Rijproef IBOP & Centraal Onderzoek

 

A-X-C

Binnenkomen in arbeidsdraf

Linkerhand hoefslag volgen 

 A Grote volte
3  H-X-F Van hand veranderen en bij X in arbeidsstap overgaan 
Halthouden, daarna voorwaarts in arbeidsstap 
Tussen K en E  Arbeidsdraf
6 B Grote volte
7 K-X-M  Van handveranderen in middendraf

A

X

C

Afwenden

Overgang naar de arbeidsstap

Rechterhand

Tussen M en B Arbeidsdraf
10  A Slangenvolte met drie bogen
11   Tussen C en M Arbeidsstap
12  M-X-K Van handveranderen, daarbij de hals laten strekken. Daarna teugels op maat maken
13   Tussen A en F Arbeidsdraf
14 

B

E

Afwenden

Linkerhand

15  Tussen A en F Arbeidsgalop links
16  B Grote volte, daarbij enkele sprongen middengalop
17 Tussen C en H Arbeidsdraf
18 F-X-H Van hand veranderen in middendraf, daarna arbeidsdraf
19 

E

B

Afwenden

Rechterhand

20  Tussen A en K Arbeidsgalop rechts
21  E Grote volte, daarbij enkele sprongen middengalop
22  Tussen C en M Arbeidsdraf
23  B Grote volte, daarbij de hals laten strekken. Daarna teugels op maat maken
24 

A

X

C

Afwenden

Halthouden en groeten, daarna voorwaarts in vrije stap

Hoefslag rechts volgen en bij A de rijbaan verlaten

 

 

 

 Menproef IBOP
 
A-F-B-M-C Binnenkomen in arbeidsdraf op de linkerhand
2 E-B-E Grote volte
3 F-X-H Van hand veranderen, daarbij enkele passen middendraf
4 C Slangenvolte met drie bogen
5 Tussen H en M Overgang arbeidsstap
6 B Afwenden
7

Tussen B en E

 

E

Halthouden, enkele seconden stilstaan.

Voorwaarts in arbeidsstap

Linkerhand

8 Tussen K en A Overgang arbeidsdraf
9

B-E-B

Tussen B en M

Grote volte tweemaal, daarbij het paard de hals laten strekken

Leidsels op maat maken 

10

Tussen M-C-H

E-B-E

Arbeidsgalop links aanspringen

Grote volte

11  Tussen K-A-F Overgang arbeidsdraf
12  F-E Van hand veranderen
13 E-B-E Grote volte
14

Tussen H-C-M

B-E-B

Arbeidsgalop rechts aanspringen

Grote volte 

15 Tussen F-A-K Overgang arbeidsdraf
16  K-X-M Van hand veranderen in middendraf
17 

Tussen H en E

K-A-F

Overgang arbeidsstap

Paard de hals laten strekken

18

F-X-G

Tussen F en X

Tussen X en G

Wenden

Leidsels op maat maken

Halthouden en groeten

 

 

Basisproef tuigen IBOP
 

A-C

C

Binnenkomen in arbeiddsdraf

Rechterhand

2 Tussen K en E Overgang arbeidsstap
E Afwenden
4 B Linkerhand
Tussen B en M Aandraven
E Grote volte
F-M Draf met meer actie
H Van hand veranderen
K-H Draf met meer actie
10  B Grote volte
11

E

Tussen E en H

 

Grote volte, daarbij paard de hals laten strekken

Leidels op maat maken

12

M

Tussen M en X

Van hand veranderen

In stap overgaan

13

A

X

Afwenden

Halthouden

 

 

Showproef tuigen IBOP
 
1 Binnenkomen in draf op de rechterhand 
Op een lange zijde afwenden en halthouden op de A-C lijn, waarna de inspectie volgt
3 Afrijden in draf op de rechterhand
Tweemaal rond, via een diagonaal van hand veranderen en daarna tweemaal rond op de linkerhand
5

Op een lange zijde afwenden en opstellen op de A-C lijn

Bij A in draf de rijbaan verlaten

 

 

Beoordelingsbalken

 

Rijproef IBOP / ABFP / CO

 
Stap  Draf  Galop  Lichaamshouding & balans  Souplesse  Schakelen  Impuls  Totaal 
 2x  2x  2x  2x  1x  1x  1x  
 

 
Menproef IBOP

 
Stap  Draf  Galop  Lichaamshouding & balans  Souplesse  Schakelen  Impuls  Totaal 
 2x  2x  2x  2x  1x  1x  1x  
 
 

Menproef ABFP / CO

 
Stap  Draf  Lichaamshouding & balans   Souplesse Schakelen   Impuls  Totaal
 2x  2x  2x  2x  1x  2x  
 
 

Tuigproef IBOP / CO 

 
 Stap Draf  Draf  Draf Lichaamshouding & balans  Front  Souplesse  Impuls  Totaal 
 

 Voorbeen-

gebruik

 Achterbeen-

gebruik

 Zweef-

moment

         
 1x  2x  2x  1x  2x  1x  1x  1x  
 
De paarden in de ABFP test krijgen een apart cijfer voor de aanleg als tuigpaard.
 
Uitleg beoordelingscriteria 
Stap
De stap is een marcherende gang met een viertakt (vier tempi). De vier benen worden afwisselend en afzonderlijk opgetild en weer neergezet; voorbeeld beginnend bij het linkerachterbeen: linksachter, linksvoor, rechtsachter, rechtsvoor, linksachter, enz. Het achterbeen verdrijft het voorbeen wanneer het wordt neergezet. De stapbeweging moet door het gehele lichaam van het paard vloeien. De benen aan dezelfde laterale zijden vormen voor een kort moment duidelijk herkenbaar een V-vorm.
In de IBOP proeven wordt uitsluitend de arbeidsstap gevraagd. Het paard in arbeidsstap beweegt zich monter en ongedwongen voort. Het vertoont een actief en rustig beeld. De stap is regelmatig en vastberaden. De rijder leidt het paard in een constante lichte aanleuning.
Kenmerken: tactzuiverheid, souplesse, ruimte, activiteit, ontspanning, buigzaamheid.
 
Draf (rij-en menproeven)
De draf is een gang met een tweetakt (twee tempi). Het paard beweegt zich voorwaarts door het opeenvolgend gelijktijdig optillen en neerzetten van een diagonaal benenpaar (linksvoor met rechtsachter en rechtsvoor met linksachter), afgewisseld met een zweefmoment; voorbeeld: linksvoor met rechtsachter, zweefmoment, rechtsvoor met linksachter, zweefmoment, linksvoor met rechtsachter, enz.. De draf is altijd vrij, actief en regelmatig in de beenzetting. In de IBOP rij-en menproef worden de arbeidsdraf en de middendraf gevraagd. De draf in de IBOP tuigproef wordt hierna apart beschreven.
De arbeidsdraf  is een gang tussen de verzamelde en de middendraf. Het paard dient zich in goed evenwicht te tonen. Het paard is in de hand gesteld en beweegt zich voorwaarts met gelijke en elastische passen, waarbij de achterhand heel actief blijft. Met een actieve achterhand wordt niet bedoeld dat het paard naar of in verzameling wordt gereden, maar dat met voldoende impuls gereden wordt, zodat de achterhand tot stuwen en dragen komt.   
De middendraf is een gang tussen de arbeidsdraf en de uitgestrekte draf in. Het paard beweegt zich vrij voorwaarts en verlengt zijn passen zichtbaar, met een gelijkmatige verruiming en een daarbij passende verlenging in de bovenlijn. Deze verruiming komt voort uit een duidelijk impuls met stuwende kracht vanuit de achterhand. De rijder staat het paard toe de hals te verlengen en het hoofd wat meer voor de loodlijn te houden dan in de arbeidsdraf. De passen blijven regelmatig en de beweging is in evenwicht en ontspannen. Het paard dekt met zijn verruimde passen meer bodem, maar de snelheid waarmee het zijn passen zet neemt niet toe.
Kenmerken: tactzuiverheid, souplesse, gedragenheid, buigzaamheid, balans, houding, afdruk, zweefmoment, ruimte, activiteit, ontspanning, gebruik voorbeen. 
 
Galop (rijproef en menproef IBOP)
De galop is een gang met een drietact (drie tempi), met in bijvoorbeeld de linkergalop de volgende beenzetting: rechtsachter, diagonaal rechtsvoor met linksachter, linksvoor, zweefmoment, rechtsachter, enz.. De galop is altijd regelmatig met gecadanceerde sprongen en wordt met lichtheid uitgevoerd en wordt vanaf het aangalopperen (aanspringen van de galop) resoluut begonnen. In de IBOP rijproef worden uitsluitend de arbeidsgalop en de middengalop (enkele sprongen) gevraagd.
De arbeidsgalop is een gang tussen de verzamelde en de middengalop in. In deze galopgang dient het paard zich in goed evenwicht te tonen. Terwijl het in de hand gesteld blijft, beweegt het paard zich met gelijke, lichte en gecadanceerde sprongen voorwaarts. De achterhand is actief en komt tot stuwen en dragen door voldoende impuls. 
De middengalop is een gang tussen de arbeidsgalop en de uitgestrekte galop in. Het paard beweegt zich vrij voorwaarts en verlengt zijn sprongen zichtbaar, met een middenmatige verruiming en daarbij passende verlenging in de bovenlijn. Deze verruiming komt tot stand vanuit een duidelijke impuls vanuit de achterhand. De galop blijft een zuivere drietact. De rijder staat het in de hand gesteld paard toe de hals iets te verlengen, waarbij het paard het hoofd wat meer voor de loodlijn mag houden dan in de arbeidsgalop.
Kenmerken: tactzuiverheid, souplesse, balans, afdruk, houding, buigzaamheid. 
 
Lichaamshouding en balans
Oprichting in lichaamshouding beoordeeld tijdens de draf, waarbij het paard daalt in de achterhand (gaat zitten) en opricht in de voorhand (rijzen). Het paard laat zich los in de bovenlijn en behoudt zijn rechtgerichtheid. Het totaal beeld is duidelijk bergopwaarts.
Kenmerken: schoft hoger dan de croupe door zakken in de achterhand en rijzen in de voorhand, losheid in de bovenlijn.
 
Bij balans gaat het om de juiste evenwichtssituatie waarin het paard zich in alle gangen beweegt. Het paard dient ritmisch, ontspannen en tactmatig te bewegen, ook in de verruimingen. Tijdens het halthouden verplaatst het in balans zijnde paard in de overgang meer gewicht op de achterhand en staat ontspannen, in aanleuning en rechtgericht stil. Bij het halsstrekken wordt het tempo, de tact, regelmaat en ruggebruik onderhouden, waardoor het paard ontspannen en in evenwicht/balans de hals kan strekken met behoudt van een lichte aanleuning en impuls.
 
Souplesse 
Souplesse van een paard is de mogelijkheid om het lichaam te draaien, te strekken en te buigen zonder dat enige stijfheid of blokkade optreedt in de wervelkolom of de gewrichten. Souplesse wordt door een groot deel mogelijk gemaakt door soepelheid en flexibiliteit van spieren. Souplesse stelt een paard in staat de wervelkolom aan te spannen, te verlengen als zijdelings te buigen, zonder ongewenste spanning of weerstand en met volledig behoud van het bewegingsritme.
 
Het paard beweegt zich,met behoud van tact en balans in een correcte lengtebuiging  op de lijn van de figuren en wendingen. Bij lengtebuiging is het paard door het hele lichaam gebogen. Het paard moet zich bereid tonen zich van links naar rechts om te laten stellen. Plaats van buiging in lichaam  is slechts in hals en lendengedeelte. In rib en croupe gedeelte is paard niet buigzaam. 
 
Het rijden in stelling betekent, dat door het geven van de juiste hulpen van de rijder het paardenhoofd iets naar links of naar rechts is gebogen. Bij het rijden in stelling blijven de hals en de romp van het paard rechtgericht. De rijder ziet één oog en de rand van één neusgat van het paard.
 
Schakelen
Overgangen en tempowisselingen zijn de basis van de rijkunst. In de overgang blijft het paard ontspannen, behoudt het zijn tact van de gang tot het moment van de overgang, is de aanleuning in orde en blijft het paard recht. Overgangen en tempowisselingen moeten duidelijk waarneembaar zijn. Bij de overgang van een arbeidgang naar een middengang dient de hals van het paard langer te worden en de neus wat naar voren, zodat het mogelijk wordt om de paslengte groter te maken. Hierdoor kan het paard zijn ontspanning en tact bewaren en in draf met zijn passen en in galop met zijn sprongen duidelijk meer verruimen. Het verschil tussen een arbeidsgang en een middengang en terug dient duidelijk waarneembaar te zijn. 
 
Impuls
In de tuigpaardensport wordt dit onderdeel benoemd als looplust. De natuurlijke drang naar voren van een paard, echter altijd beheerst en begrenst door de rijder. De rijder heeft controle over de voorwaartse drang en bepaalt in welke mate deze drang leidt tot het voorwaarts gaan van het paard (tempo).  De vanuit de achterhand opgewekte energie wordt door de rijder gecontroleerd en is de basis voor nageeflijkheid en aanleuning.
Kenmerken: voorwaartse energie komt vanuit de achterhand en laat zich door de rijder omzetten in voorwaartse en opwaartse richting, geslotenheid.
 
Draf (tuigproef)
De draf is een gang met een tweetakt (twee tempi). Het paard beweegt zich voorwaarts door het opeenvolgend gelijktijdig optillen en neerzetten van een diagonaal benenpaar (linksvoor met rechtsachter en rechtsvoor met linksachter), afgewisseld met een zweefmoment; voorbeeld: linksvoor met rechtsachter, zweefmoment, rechtsvoor met linksachter, zweefmoment, linksvoor met rechtsachter, enz.. De draf is altijd vrij, actief en regelmatig in de beenzetting. In de IBOP rij-en menproef worden de arbeidsdraf en de middendraf gevraagd.  
In de IBOP tuigproef kenmerkt de draf zich ten opzichte van de draf in de rij-en menproef door veel zweefmoment, een ruim wegzettend voorbeen, hoge actie van voorbeen en achterbeen en een krachtig ondertredend achterbeen. Het krachtig ondertredende achterbeen maakt de voorhand van het paard lichter, waardoor het gaat rijzen in de voorhand. De draf gaat gepaard met een fiere lichaamshouding van het paard. 
Kenmerken: t.o.v. de rij-en menproeven meer en hogere voor-en achterbeen actie, lang zweefmoment,  duidelijk bergopwaarts.
 
Achterbeengebruik tuigpaard
Dit is de mate waarin het paard het pijpbeen in de richting van de horizontaal brengt en de mate waarin het paard zich afdrukt van de grond  en naar voren plaatst. Het achterbeen neemt tussen afzet en neerzetten veel bodem en de achterhoef wordt ruim voorbij de afdruk van de voorhoef geplaatst. Het spronggewricht wordt sterk gebogen evenals de kogel. De achterhand wordt ver onder de massa geplaatst.
Kenmerken: afdruk, buiging spronggewricht en kogel, gedragenheid, krachtig.
 
Voorbeengebruik tuigpaard
Dit is de mate waarin het paard door sterke buiging in de knie de onderarm van het voorbeen tenminste op de horizontaal brengt en de mate waarin het paard zijn voorbeen naar voren wegzet.
Kenmerken: onderarm minimaal op de horizontaal, afrollen van de beweging dus niet het voorbeen laten vallen maar naar voren grijpen. 
 
Zweefmoment tuigpaard
De tijdsduur van het moment dat het paard wisselt tussen de twee diagonale beenparen en het paard geen contact maakt met de bodem. Het zweefmoment is de ruimte in de beweging niet door snelheid van het wegzetten van het achterbeen veroorzaakt, maar juist door vertraging en veerkracht.
Kenmerken: ruim wegzettend achterbeen, ruim loskomen en veel bodem nemen.
 
Front tuigpaard
In de draf gebruikt het paard zijn hoofd en hals om tot een fiere oprichting te komen. Daarbij is de hals haast vertikaal vanuit de romp geplaatst, echter met een grote mate van afbuiging in de nek waardoor het hoofd met het neusbeen op de loodlijn gedragen wordt. 
Kenmerken: halsvorm, hals-/neklengte, hoofd-/halsaanzet, plaats van het hoofd.
 

versie juni 2013